John Mayers Gravity (Continuum, 2006) laat horen hoeveel spanning je uit weinig materiaal kunt halen. Met twee akkoorden in G majeur, gospelwarmte, jazzkleur en bluesfrasering bouwt Mayer een nummer dat simpel lijkt, maar rijk aan detail is.
Speel met vertrouwen muziek. Ontdek oa tips en technische handleidingen in onze maandelijkse nieuwsbrief speciaal voor muzikanten.
John Mayers Gravity (van Continuum, 2006) is een les in doseren. Het nummer draait het grootste deel van de tijd om twee akkoorden in G majeur, maar het voelt nooit leeg. Mayer legt er gospelwarmte, jazzkleur en bluesfrasering overheen. De akkoordprogressie kun je in één minuut uitleggen, maar de timing, klank en zwaarte ervan kun je jaren blijven oefenen.
Heet het nummer Gravity omdat de mineurkleur even aan de harmonie trekt? Dat is een mooie manier om ernaar te luisteren.
Harmonisch is de basis van het couplet G → C → G → C: I–IV in G majeur, met een langzame 6/8-maatsoort.
Een losse muzieknoot heeft van zichzelf geen gevoel. Het is de omgeving die de noot kleur geeft. Als je betere melodieën wilt schrijven, moet je dus stoppen met zomaar wat noten te kiezen. Leer hoe je de melodielijn (horizontaal) combineert met de akkoorden (verticaal). Pas dán stuur je het gevoel van je luisteraar heel bewust precies de richting op die jij wilt.
Boven G gebruikt Mayer vooral materiaal uit de thuistoonsoort. De akkoordtonen G, B en D geven houvast. A en E zweven daarboven en zorgen voor die bekende add9/6-glans.
Boven C verschuift het gewicht naar C, E en G. Die tonen voelen zwaarder, omdat ze het C-majeurakkoord vormen. A en vooral D blijven mooi in de bovenstemmen hangen. Daarom zie je in akkoordenschema’s vaak C6add9. Af en toe hoor je ook een F♯.
In G majeur ligt op de vierde trap een C lydische toonladder. Die heeft een verhoogde vierde trap: F♯. Daardoor kunnen de bovenlijnen opener klinken terwijl het akkoord eronder gewoon C blijft. Denk bijvoorbeeld aan een lijn G-F♯-E boven C, die daarna oplost naar D boven G.
Mayer speelt niet alsof hij hard van het ene akkoord naar het andere springt. Hij speelt juist naar beide akkoorden toe. G kan blijven klinken als gemeenschappelijke toon: grondtoon van I en kwint van IV. D werkt ook als lijm: kwint van G en none van C. Daardoor kan een bovenstem over de wissel heen blijven hangen. Alles wat van akkoordtoon naar akkoordtoon beweegt, kan werken, met kleine variaties op plekken waar het past.
Am7 → D7 is een duidelijke jazzbeweging binnen de thuistoonsoort. Je oor verwacht daarna G majeur, maar Mayer stelt dat moment uit. In plaats daarvan schuift de harmonie naar Gm/B♭ en E♭maj7. Zodra die mollen verschijnen, is de toonkaart niet meer alleen G majeur. Onder E♭maj7 kun je denken aan E♭ aeolisch, dus natuurlijke mineur op E♭: dezelfde klankwereld die je hoort wanneer de kleur van parallel G mineur even opduikt.
Die mollen komen uit geleende akkoorden: akkoorden uit parallel G mineur, terwijl het nummer nog steeds in G majeur aanvoelt. G majeur heeft B en E. G mineur vervangt die door B♭ en E♭. De grondtoon blijft G, maar de kleur wordt donkerder. Als het refrein voelt alsof het even naar beneden trekt, dan hoor je precies die schuine helling.
Gm/B♭ is het moment waarop die verschuiving duidelijk wordt. De drieklank is G mineur (G–B♭–D), vaak met B♭ in de bas. Eén mol in de harmonie is al genoeg om de sfeer donkerder te maken zonder dat het nummer echt van toonsoort verandert.
E♭maj7 is het ♭VI-akkoord in G mineur (E♭–G–B♭–D). Het klinkt hymne-achtig, zwaar en duidelijk soulvol. Daarna volgt een klassieke beweging: ♭VI → V7. E♭maj7 glijdt naar D7, de dominant van G. Die dominant trekt terug naar de majeurgrondtoon en naar de G – C-loop. De mollen waren dus niet willekeurig; ze waren G mineur dat twee maten lang door de deur keek. Precies lang genoeg om de terugkeer verdiend te laten voelen.
Onder de productie is Gravity bijna koppig eenvoudig: twee drieklanken in G majeur, een trage 6/8-puls en vooral beweging in de bovenstemmen. Mayer houdt de harmonie rustig, zodat je kleine verschuivingen hoort: hoe lang D boven C blijft hangen, wanneer F♯ een fill opent, en hoe G als gemeenschappelijke toon door de wissel heen kan blijven klinken.
Het refrein werkt omdat het kader zo lang helder blijft. Am7 en D7 voeren de spanning op. Gm/B♭ en E♭maj7 lenen kleur uit parallel mineur. Daarna lost D7 terug op naar de loop. Simpel, maar heel effectief.
Open de metronoom in 6/8 en loop G–C. Kies telkens één toon en houd die vast door de akkoordwissel heen. Niet alleen om de toon te benoemen, maar om te voelen wat die toon doet tegen het akkoord eronder. Een A boven G voelt anders dan dezelfde A boven C.
Oefen dit meteen — probeer de toonladder majeur pentatonisch in een korte Sonid-oefening.
Speel daarna eens een F♯ boven beide akkoorden. Je hoort meteen spanning. Afhankelijk van het akkoord wil die spanning omhoog of omlaag oplossen. Voel je het verschil?
Oefen dit meteen — probeer de toonladder lydisch in een korte Sonid-oefening.